Nieuwe wet beschermt erfgenamen

De erfgenamen in deze zaak hebben na het overlijden van erflater en erflaatster onder andere betalingsregelingen getroffen voor betaling van de facturen van de beide uitvaarten, zij hebben de in de woning van erflaatster aangetroffen post meegenomen en doorgenomen, openstaande rekeningen voldaan uit hun eigen vermogen en de vervuilde en verwaarloosde huurwoning leeggeruimd. Zij hebben zich daarmee gedragen als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen, resulterend in zuivere aanvaarding.

Uit een vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 25 september 2013 blijkt dat erflater is veroordeeld om aan verweerder een bedrag van € 19.225,34 te betalen. Er bleek dus een schuld te bestaan waar de erfgenamen geen weet van hadden.

De erfgenamen hebben de kantonrechter verzocht om op grond van artikel 4:194a lid 2 BW om deze schuld niet uit hun eigen vermogen te hoeven voldoen. Voor het geval dat nit zou worden toegestaan hebben zij ook gevraagd om op grond van artikel 4:194a lid 1 BW hen te machtigen de nalatenschappen alsnog beneficiair te aanvaarden.

Verweerder meent dat de erfgenamen niet-ontvankelijk zijn omdat zij het verzoek niet hebben ingediend binnen drie maanden na ontdekking van de schuld. Als de erfgenamen wel ontvankelijk zijn wordt de kantonrechter verzocht het verzoek af te wijzen.

Het nieuwe artikel 4:194a BW houdt in dat een erfgenaam die zuiver heeft aanvaard en die bekend wordt met een schuld die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, door de kantonrechter wordt gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden als hij binnen drie maanden na de ontdekking het verzoek daartoe doet. Ook kan de erfgenaam worden ontheven van zijn plicht om de schuld uit zijn eigen vermogen te voldoen. Alleen schulden die worden ontdekt na de inwerkingtreding van de (nieuwe) wet op 1 september 2017 komen voor een beoordeling op grond van art. 4;194a BW in aanmerking.

Eerst beoordeelt de kantonrechter of de erfgenamen op tijd zijn. Vaststaat dat het vonnis waarin de schuld is vastgesteld pas in november 2017 naar één van de erfgenamen is gestuurd. Dat was het moment waarop de schuld werd ontdekt. De schuld is dus ontdekt na inwerkingtreding van het nieuwe artikel, zodat het verzoek kan worden ingediend. Omdat het verzoek is ingediend op 6 februari 2018, is het binnen drie maanden na ontdekking ingediend en dus op tijd.

De wet geldt alleen voor onverwachte schulden, die de erfgenamen niet kenden en ook niet behoorden te kennen. Dat laatste wordt beoordeeld aan de hand van het begrip “goede trouw”. Er is geen goede trouw als de erfgenaam de schuld al kende toen hij zuiver aanvaardde. Ook als er onvoldoende onderzoek is gedaan door de erfgenamen of zij op basis van een bepaalde deskundigheid beter hadden moeten weten, ontbreekt de goede trouw.

In deze zaak hebben de erfgenamen eind 2015 handelingen verricht waardoor zij zuiver hebben aanvaard. Het gaat om een betalingsregeling voor de uitvaartfacturen, het leegruimen van de woning, het betalen van schulden uit de activa van de nalatenschap en uit hun privé-vermogen. Alle overige schulden zijn door de erfgenamen betaald.

De kantonrechter is van mening dat verweerder geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat verzoekers de schuld eind 2015 kenden. De kantonrechter vindt het ook niet aannemelijk dat de erfgenamen de schuld toen al kenden omdat alle andere schulden -die bekend waren- door de erfgenamen eind 2015 zijn betaald.

De kantonrechter neemt mee dat de erfgenamen ondeskundig zijn op het gebied van de afwikkeling van nalatenschappen. Zij dachten dat het hun morele plicht was om de schulden van hun ouders te betalen. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat verzoekers de schuld eind 2015 niet kenden.

Behoorden zij de schuld te kennen? Nee, zegt de kantonrechter. En ook hebben de erfgenamen niet het vertrouwen gewekt bij verweerder dat de schuld betaald zou worden. De kantonrechter ontheft de erfgenamen van de verplichting om de schuld uit hun privé-vermogen te voldoen.